Start › Vaardigheden › Strijken hoort bij het naaien, niet erna
Strijken hoort bij het naaien, niet erna
Het strijkijzer staat bij mij op een armlengte van de machine, met het snoer achter de strijkplank langs zodat ik er niet over struikel; als ik klaar ben gaat de stekker eruit. In het achterkamertje aan de noordkant is het in de winter 15 graden en houdt het ijzer mijn handen warm. Wat me in al die jaren het meest is opgevallen: de meeste scheve naden zijn strijkfouten, geen stikfouten.
Kort samengevat
- Strijk na elke naad: eerst plat, dan in de stand die de naad in het kledingstuk moet hebben.
- Met schuiven strijk je niet; zet het ijzer neer, laat het even zitten en til het op voor de volgende plek.
- Laat de stof afkoelen voordat je hem verplaatst, opvouwt of doorspeldt.
- Strijk zijnaden naar achteren, gebruik bij donkere stof een dun lapje tegen glans en blijf van klittenband en elastiek af.
- Hou de zool kalkvrij met een scheutje azijn op een oude theedoek en laat het reservoir niet vol staan.
Strijken na elke naad
Een naad die net uit de machine komt, staat nog bol. De stof aan de ene kant van de naad is door de naald iets opgerekt en de stof aan de andere kant niet. Laat je die naad zo zitten, dan schuift alles wat er daarna op volgt uit de maat: de volgende naad komt scheef, de zak komt scheef, en aan het eind passen de twee helften niet meer op elkaar.
Daarom leg ik het werkstuk na elke naad even op de strijkplank. Ik strijk de naad eerst plat zoals hij uit de machine komt, en pas daarna geef ik hem de stand die hij in het kledingstuk moet hebben. Die twee stappen doe je achter elkaar, niet als aparte klus op een andere dag.
Open of naar één kant
Zijnaden van een broek of een rok strijk ik naar achteren. Dat is niet willekeurig: zo valt de naad aan de buitenkant plat en zie je hem van voren niet. Een naad die onder een zak of onder een kraag verdwijnt, strijk ik naar de kant waar hij het minst opvalt. Een kraagnaad strijk ik naar de kraagstandaard toe, zodat de kraag van buiten een scherpe rand houdt.
In tricot en in heel losse stof strijk ik niet open, want dan trekken de naadtoeslagen uit elkaar en zie je gaatjes langs de naad. Daar strijk ik beide kanten naar dezelfde kant, met een dun lapje ertussen. Bij dikke wol druk ik de naadbreedte eerst met mijn hand plat en strijk ik daarna met veel stoom, anders drukt er een rand door de stof heen.
Strijken zonder de stof te vervormen
Het ijzer gaat op en neer, niet heen en weer. Schuif je met het ijzer over de stof, dan rekt de lap uit en wordt de rand langer dan de rest. Ik zet het ijzer neer, laat het even zitten en til het op voor de volgende plek. Voor een lange zijnad doe ik dat in stukken van een hand breed.
Wat warm is, houdt zijn vorm, dus laat de stof afkoelen voordat je hem verplaatst of doorspeldt. Leg je hem warm opgevouwen, dan strijk je de vouw erin en die komt er niet meer uit. Bij rekbare stof strijk ik zo weinig mogelijk met stoom en trek ik de stof niet uit terwijl het ijzer erop staat.
Kalk op de zool van het ijzer
Het water hier is hard, en dat zie je terug op de zool van het ijzer. Er komt een witte laag op die je op donkere stof als strepen terugvindt, en die strepen krijg je er met wassen niet meer uit. Ik zet het ijzer daarom regelmatig af: een scheutje azijn op een oude theedoek, het ijzer lauw erover, en daarna met een droge doek na. Nooit op een hete zool, want dan brandt de azijn erin.
In het reservoir doe ik zacht water en ik laat het er niet maanden in staan. Aan het einde van een naaisessie zet ik de stoomknop open boven de wasbak tot er geen water meer uit komt, zodat er geen kalkwater in de gaatjes achterblijft. Die vijf minuten per maand schelen mij een ijzer dat vlekken maakt op precies het kledingstuk dat bijna klaar is.
Wat je niet strijkt
Sommige dingen gaan niet onder het ijzer. Klittenband smelt en verliest zijn greep, elastiek verliest zijn rek, en de meeste kunststof vezels kunnen niet tegen de warmste stand. Over een rits strijk ik nooit heen, maar naast de rits, met de punt van het ijzer en de stof eromheen goed uit elkaar gehouden.
Ook niet strijken: een naad waar de spelden nog in zitten. De spelden worden heet, de kop drukt een deuk in de stof en de punt kan de zool krassen. Ik haal de spelden eruit, strijk, en zet ze daarna terug als ik nog moet passen.
Zet de strijkplank naast de machine
Een strijkplank in een andere kamer dan de machine betekent in de praktijk dat je niet strijkt. Ik heb een klein plankje naast de machine staan, met het ijzer erop en een verlengsnoer dat achter de kast langs loopt. Zo is de afstand tussen de laatste steek en het ijzer nog geen meter, en doe je het ook als het maar om één korte naad gaat.
Strijken hoort bij het naaien, niet erna. Een zoom, een kraag, een splitje: alles wat ik aan de zijkant even plat leg, ziet er aan de buitenkant uit of het met meer zorg is gemaakt. Dat is geen kwestie van meer tijd, hooguit van een andere volgorde.
Wat er vaak misgaat
- Heen en weer strijken in plaats van op en neer drukken, waardoor de stof uitrekt en de rand langer wordt dan de rest.
- Strijken terwijl de spelden er nog in zitten, met hete deuken in de stof als gevolg.
- Over klittenband of elastiek heen strijken, met een gesmolten strook of een slap geworden band als resultaat.
- De stof warm opvouwen of meteen doorspelden, zodat de vouw en de scheefstand erin blijven zitten.
- Met een aangekoekte zool over donkere stof gaan, wat witte strepen geeft die er niet meer uitgaan.