Start › Vaardigheden › Naden en naadbreedte
Naden en naadbreedte
Bijna elke naad die ik in de war stuurde, kwam door één getal: de naadbreedte. Ik leerde ooit dat het 1 cm is, maar dat klopte bijna nooit. In 2006 knipte ik een rok uit katoen dat nog niet gewassen was en naaide ik de naden op 1 cm; na de eerste was was de rok een maat kleiner en golfde de onderkant.
Kort samengevat
- De naadbreedte hangt af van de stof, de hoek en wat je ermee doet, niet van een vast getal.
- Voor een gewone naad reken ik 1,5 cm; alleen in krappe hoeken gaat hij terug naar 0,7 cm.
- Begin en einde van een naad zet je vast met een paar steken heen en weer, anders rafelt hij los.
- Strijk elke naad voordat je hem overnaait, want een scheve naad blijft onder een gestreken zoom zichtbaar.
Waarom 1 cm bijna nooit klopt
Die 1 cm komt uit het naaien van proeflapjes, niet uit het naaien van kleding. In een echt kledingstuk wil je ruimte hebben om te passen en bij te stellen, en die ruimte zit in de naadbreedte. Neem je 1 cm, dan heb je bij het minste of geringste te weinig over om nog iets te verzetten.
Daar komt bij dat stof niet overal even dik is. Een naad in dikke wol vraagt meer ruimte dan een naad in dunne katoen, simpelweg omdat je de stof anders niet plat krijgt en de naad een richel wordt.
Ik ben geen coupeuse of kleermaker; ik werk in de bibliotheek en naai thuis aan onze eigen kast. Wat ik in al die jaren leerde, is dat je de naadbreedte kiest per naad en niet per kledingstuk.
Welke breedte bij welke naad
Als vuistregel houd ik aan: 1,5 cm voor zijnaden, schoudernaden en mouwnaden, want daar zit rek en wil ik kunnen bijstellen. Voor een zoom reken ik 2 tot 4 cm, afhankelijk van hoe zwaar de stof is en of er een manchet of boord bij hoort.
- 1,5 cm: zijnaden, schoudernaden, mouwnaden en taillebanden.
- 1 cm: naden in kleine kledingstukken of waar de ruimte krap is.
- 0,7 cm: binnenhoeken, kraagpunten en korte bochten.
- 2 tot 4 cm: zomen, want daar wordt de rand naar binnen gevouwen.
Ik teken de breedte af met een krijtje op 1,5 cm van de rand en haal daarna het krijtstreepje weg met een kwastje, zodat het niet in de stof blijft zitten onder het strijken.
Begin en einde vastzetten
Een naad begint niet bij de rand maar bij het vastzetten. Ik naai drie tot vier steken vooruit en dan drie tot vier terug over dezelfde steken, zodat het garen in de stof verankerd zit. Doe je dat niet, dan rafelt de naad bij het eerste aantrekken los, ook als hij van buiten heel netjes lijkt.
Bij het einde herhaal ik dat, en knip dan de draden op 1 cm af in plaats van helemaal tegen de stof. Die 1 cm laat ik zitten, want een te korte draad schiet los bij het wassen.
Op plekken waar de machine niet komt, zoals het uiteinde van een rits, zet ik het begin en einde met de hand vast met een kleine achtersteek. Dat is langzamer maar het houdt.
Hoeken en bochten
Bij een hoek laat ik de naald in de stof staan, til de persvoet op en draai de stof om de naald. Zo blijft de hoek precies op de plek waar je hem hebben wilt; til je de naald op, dan verschuift de stof en zit je punt een paar millimeter naast de lijn.
In een binnenhoek knip ik de naadbreedte tot bijna op de stiksel in, tot 2 mm van de naad, zodat de stof plat kan liggen als je hem omkeert. Knip je niet in, dan trekt de hoek zich krom en zie je van buiten een plooi.
In een buitenhoek knip ik juist een klein driehoekje uit de naadbreedte, zodat er geen bult stof overblijft als de rand wordt omgekeerd. Beide keren knip ik voorzichtig, met het puntje van de schaar naar voren, nooit met het hele blad naar de naad toe.
Dikke stof en dikke naden
Bij spijkerstof, canvas of een naad met vier lagen wordt de persvoet aan de voorkant omhoog geduwd. Ik leg dan een klein opgevouwen lapje van dezelfde stof onder de achterkant van de voet, zodat de voet vlak blijft en de steek niet overslaat.
Waar twee dikke naden kruisen, sla ik een stukje naadbreedte weg of strijk ik ze eerst naar verschillende kanten open, zodat ze niet op elkaar komen te liggen. Twee naden op precies dezelfde plek is precies waar de naald breekt.
Ik duw in zulke gevallen met de hand aan het wiel in plaats van gas te geven met de motor. Rustig draaien geeft meer controle dan wat voor knop dan ook.
Naden afwerken tegen rafelen
Een naad die niet rafelt, heeft geen afwerking nodig; een naad in stof die wel rafelt, heeft het wel nodig. Ik werk hem af met een zigzag langs de rand, met een omslag of, bij dure stof, met een strookje bies. Welke van de drie je pakt hangt af van de stof en van hoe dik het geheel mag worden.
Ik strijk de naad eerst open en werk hem daarna af. Anders leg ik de afwerking over een scheve naad heen en zie ik de scheefheid pas als het kledingstuk al klaar is. Strijken hoort bij het naaien, niet erna.
Op onze harde water let ik extra op bij het wassen van afgewerkte naden; kalk laat stof stug worden, dus spoel ik een keer extra als ik iets donkers of diks heb genaaid.
Wat er vaak misgaat
- De hele naad op 1 cm naaien, waardoor er bij het passen niets meer bij te stellen valt.
- Het begin en einde niet vastzetten en de naad dus laten rafelen zodra eraan wordt getrokken.
- In een binnenhoek de naadbreedte niet inknippen, zodat de hoek zich kromtrekt en van buiten zichtbaar blijft.
- Twee dikke naden precies op elkaar leggen in plaats van ze uit elkaar te strijken of weg te snijden.
- De naden afwerken voordat je ze hebt gestreken, en dan de scheefheid pas zien als het werkstuk klaar is.