Start › Vaardigheden › Een naad tornen zonder de stof te beschadigen
Een naad tornen zonder de stof te beschadigen
Trek eerst de stekker uit de machine en leg het tornmesje met de punt van je af op tafel voordat je iets anders doet. Ik heb in 2014 een hele avond naadjes zitten lostornen omdat ik een nieuwe rits samen met de twee omslagen in één keer had vastgenaaid; die avond heeft me geleerd dat tornen geen straf is maar een techniek. Ik werk er het liefst aan de keukentafel bij, want in mijn achterkamertje op het noorden is het in de winter 15 °C en met koude vingers maak je precies de fouten die je daarna weer moet lostornen.
Kort samengevat
- Tornen gaat over draad en niet over stof: je maakt de steekjes los en laat de stof intact.
- Werk van de binnenkant naar buiten en houd het mesje plat op de stof in plaats van het erin te duwen.
- Niet elke fout vraagt om een tornmesje; een naad die een millimeter uit het lood loopt zie je bij het dragen niet terug.
- Haal na het tornen eerst alle losse draadjes weg voor je opnieuw spelt of rijgt.
- Een scherp mesje torn sneller en schoner dan een bot exemplaar waar je aan moet wrikken.
Wanneer je tornen moet en wanneer niet
Niet elke fout vraagt om een tornmesje. Een naad die 2 mm uit het lood loopt, zie je aan de buitenkant niet terug en die laat ik zitten. Een verkeerd gekozen naadbreedte van 1 cm in plaats van 1,5 cm, of een zoom die aan één kant golft, moet er wel uit. De vuistregel die ik aanhoud: als ik het bij het passen zie of voel, torn ik het los; als het alleen op mijn werktafel zichtbaar is, laat ik het.
Bij een knoopsgat, een rits en een kraag torn ik altijd, ook als de fout klein lijkt. Op die plekken trekt de stof scheef zodra er spanning op komt, en een scheve rits of kraag valt veel meer op dan een paar millimeter in een zijnaad.
Een scheur in de stof zelf is iets anders. Die torn je niet los; daar werk je omheen of je zet er een lapje achter. Kijk dus eerst goed of je met draad te maken hebt of met kapotte stof, want dat zijn twee verschillende klussen.
Het mesje vasthouden
Ik houd het tornmesje tussen duim en wijsvinger, met het platte deel op de stof en de punt in de naad. Je duwt het niet vooruit als een mes door boter; je laat het puntje onder één steekje schuiven en kantelt het dan licht omhoog. Zo snijd je de draad door en niet de stof eronder.
Het geluid vertelt je of je goed zit. Een droog tikje is draad; een dof, schrapend geluid betekent dat je vezels van de stof meepakt. Zodra je dat hoort, stop je en kijk je waar het puntje precies zit. Dat klinkt omslachtig, maar je leert het in een middag en je bespaart jezelf een gat in een kledingstuk.
Werk in stukjes van 3 tot 4 cm en haal daarna de draadjes weg. Zo houd je overzicht en kun je onderweg stoppen zonder de tel kwijt te raken.
De bovenkant of de onderkant
Bij een gewone stiknaad zien de steekjes aan de bovenkant er anders uit dan aan de onderkant. De kant waar de lusjes van de onderdraad zichtbaar zijn, is het makkelijkst te tornen: daar pakt je mesje de draad het eerst. Ik keer het werkstuk dus om en kijk aan welke kant het er ruwer uitziet.
Je kunt ook om de paar steekjes een steek doormidden snijden en de draad er daarna in één ruk uittrekken. Dat gaat bij lange naden veel sneller dan steekje voor steekje. Let wel op dat je aan de goede kant lostrekt; trek je aan de verkeerde kant, dan haal je de steek alleen maar strakker aan.
Bij een naad met een afgewerkte rand, zoals aan de binnenkant van een broek, torn ik alleen de stiknaad zelf en laat ik die afwerkingsrand liggen. Die rand loopt door over de hele naad en eraan trekken maakt het werk alleen maar rommeliger.
Bij dikke stof en bij tricot
Dikke stof zoals spijkerstof of een gewatteerde jas geeft meer weerstand, en dan is de verleiding groot om harder te duwen. Doe dat niet. Bij dikke stof torn je vaker met korte haaltjes en neem je vaker een pauze, want je mesje schiet sneller weg als je kracht zet.
Tricot en andere rekbare stoffen zijn het lastigst. De stof rekt mee met je mesje en de vezels raken makkelijk beschadigd. Als ik twijfel leg ik een dun kartonnetje onder de naad, zodat het puntje niet in de stof eronder verdwijnt. Bij tricot haal ik de steekjes liever los met een stopnaald, steekje voor steekje, dan dat ik er een mesje in zet.
Bij heel dunne stof, zoals voering, werk ik met een mesje met een klein puntje en houd ik de stof strak tussen twee vingers. Zonder spanning schuift de stof mee en snijd je naast de naad.
De fout van 2014
In 2014 zette ik een nieuwe rits in een jas en naaide die in één keer vast met de twee omslagen eraan. De rits zat muurvast en ik kon hem niet meer open krijgen. Ik heb die avond alles weer moeten lostornen, met de jas op schoot, want het was december en mijn werkhoek koelt tegen de avond snel af.
Wat ik daarvan heb geleerd is niet alleen “eerst rijgen, dan naaien”. Het is ook dat je een naad die je toch moet tornen beter in één keer goed kunt doen dan in stukjes tussen het naaien door. Ik neem er nu de tijd voor, zet een kop thee en behandel het als het echte werk. Tornen is geen onderbreking van het naaien; het is de helft van het naaien.
Wat er vaak misgaat
- Met het mesje vooruit duwen langs de stof, waardoor je een snee in het kledingstuk maakt in plaats van de draad los te halen.
- De hele naad in één ruk lostrekken zonder naar de vezels te kijken, zodat dunne stof rafelt en de naad daarna niet meer netjes sluit.
- Na het tornen de losse draadjes laten zitten, waardoor de nieuwe naad dikker wordt en scheef gaat zitten.
- Bij rekbare stof een tornmesje gebruiken waar een stopnaald beter was geweest, met een scheur in het tricot als resultaat.
- Een naad lostornen die maar 2 mm uit het lood loopt, terwijl niemand dat bij het dragen ziet.