Start › Vaardigheden › Garen kiezen: dikte, vezel en kleur
Garen kiezen: dikte, vezel en kleur
Op de stoffenbak bij de markt aan de Brink koop ik mijn garen per klosje uit een bak vol losse kleuren, en daar zit precies het risico: je pakt wat mooi bij de stof past en let niet op de dikte. In 2019 gebruikte ik zo'n oude klos voor het hengsel van een canvas tas; twee weken later knapte de draad en lag het hengsel op de grond. Sindsdien test ik elk klosje voordat het in mijn blik belandt.
Kort samengevat
- Kies de dikte van het garen bij de stof: te dik garen in dunne stof trekt de naad samen en laat de stof langs het stiksel kreukelen.
- Katoengaren hoort bij katoen en linnen, polyestergaren bij rekbare stof, en bij een mengsel volg je de vezel die de stof zijn karakter geeft.
- Test elk klosje door er met beide handen hard aan te trekken; breekt het meteen of voelt het stug, dan gaat de hele klos weg.
- Neem voor een onzichtbare naad een kleur die net iets donkerder is dan de stof; iets te donker valt minder op dan iets te licht.
- Bewaar garen binnen in een gesloten trommel met een paar zakjes droogmiddel, want vocht en kou maken de draad bros.
Wat het nummer op het klosje zegt
Garen wordt aangegeven met een dikte, en hoe hoger het getal, hoe dunner de draad. Een fijn garen rond 50 gebruik ik voor lichte stof en fijne naden; een dik garen rond 30 hoort bij dikke stof, bij ritsen en bij het vastzetten van een hengsel. Zet je dik garen in dunne stof, dan trekt de naad de stof samen en gaat de stof langs het stiksel kreukelen, hoe netjes je ook naait.
Ik houd het simpel. Voor gewone naden in katoen en linnen gebruik ik één dikte die past bij een naald van 80 of 90. Voor zware stof pak ik een dikker garen, en daar hoort dan ook een naald met een groter oog bij. Garen en naald horen bij elkaar; het een los van het ander kiezen loopt bijna altijd mis.
Vezel: katoen, polyester en mengsels
Katoengaren is sterk, houdt weinig rek en kan niet goed tegen kokend water zonder te krimpen. Polyestergaren rekt juist mee en is sterk, maar het smelt als je er een hete strijkbout op zet. Op katoen en linnen naai ik met katoengaren, op tricot en andere rekbare stof met polyester, zodat het garen met de stof meebeweegt in plaats van ertegen te werken.
Bij een mengsel kijk ik naar de vezel die de stof het meeste karakter geeft. Voert de katoen de boventoon, dan katoengaren; is het mengsel duidelijk rekbaar, dan polyester. Twijfel ik, dan kies ik het garen dat net zo rekt als de stof. Een naad die niet met de stof mee rekt, knapt bij de eerste beweging, ook al ziet hij er bij het naaien prima uit.
Kleur, glans en licht
Voor een naad die je wilt wegwerken, neem ik een kleur die net iets donkerder is dan de stof. Iets te donker valt minder op dan iets te licht, en dat scheelt bij een zoom of een zijnad meer dan welke steek dan ook. Voor een naad die juist gezien mag worden, zoals een doorstiksel op een jas, kies ik een kleur die er bewust naast ligt.
Op glans let ik bij donkere stof. Een glimmend garen valt onder lamplicht op als een lichte streep, ook als de kleur precies klopt. In het halfduister van mijn achterkamertje aan de noordkant houd ik een klosje daarom altijd even bij het raam voor ik beslis, en in de winter doe ik dat bij daglicht, niet onder de lamp boven de tafel.
De test van 2019
Wat ik in 2019 fout deed, was vertrouwen op een klos die al jaren in een bak lag. Ik zette er het hengsel van een canvas tas mee vast, en na twee weken knapte de draad zonder dat de tas ergens aan bleef hangen. Oud garen wordt bros, ook als het er nog goed uitziet en de kleur precies klopt; de klos verraadt zich pas als je eraan trekt.
Nu trek ik elk klosje eerst met beide handen uit elkaar. Blijft het heel, dan mag het mee de trommel in; breekt het of voelt het stug, dan gaat de hele klos weg zonder pardon. Dat kost een seconde werk en het heeft me sinds 2019 nooit meer een los hengsel of een losse knoop gekost.
Bewaren in een oud huis
Het klimaat in een rijtjeshuis uit de jaren zeventig is geen museumklimaat. Garen trekt vocht aan, wordt zwaar en bros, en het karton van de klos zet uit zodat de wikkeling losser gaat zitten. Ik bewaar mijn klosjes in een koekjestrommel met een paar zakjes droogmiddel, en die trommel staat binnen, niet in het koude achterkamertje waar het in de winter 15 graden is.
Bij het strijken let ik op het ijzer. Het water hier is hard en laat kalk achter op de zool, en dat geeft lichte strepen op donkere stof precies waar je nette naad zit. Ik strijk naden daarom liever droog of met een dun vochtig doekje ertussen, en zet het ijzer af en toe af met azijn tegen de aanslag.
Garen op de machine en met de hand
Op de machine gebruik ik hetzelfde garen als waarmee ik rijg, alleen in een andere kleur voor de rijgnaad. Rijg ik met een afwijkende kleur, dan zie ik later precies welke draad eruit moet en welke blijft. In de spoel gaat dezelfde dikte als op de bovendraad, want een dunne onderdraad naast een dikke bovendraad geeft lussen aan de onderkant die je met spanning alleen niet weg krijgt.
Met de hand gebruik ik voor stopwerk een steviger garen dat tegen een wasbeurt kan, en voor een onzichtbare naad een fijn garen in de kleur van de stof. Voor een knoop neem ik dubbel garen, want een enkele draad slijt door aan de rand van het gat. Ik ben geen coupeuse of kleermaker; ik werk in de bibliotheek en naai thuis, en wat ik niet zelf heb uitgeprobeerd, schrijf ik niet op.
Wat er vaak misgaat
- Garen kiezen op kleur alleen: een dik klosje bij dunne stof geeft een samengetrokken naad waarin je elke steek van buiten ziet.
- Oud garen toch gebruiken omdat de kleur precies klopt; bros garen knapt na één wasbeurt, precies op de plek waar het werk moet doen.
- Polyestergaren strijken met een hete bout, waardoor de draad smelt en de naad hard en glanzend wordt.
- Een dunne onderdraad in de spoel naast dikke bovendraad, wat lussen aan de onderkant geeft die niet met de spanning te verhelpen zijn.
- Garen bewaren in een koud, vochtig achterkamertje, waar het klosje karton uitzet en de draad binnen een jaar bros wordt.