Start › Vaardigheden › Stoffen herkennen aan hun gedrag
Stoffen herkennen aan hun gedrag
Op de stoffenbak bij de markt aan de Brink hangt zelden een etiket, en de koopman noemt elke lap goed. Je herkent stof dan ook niet aan een label maar aan hoe hij in je hand valt en rekt. In 2006 knipte ik een rok uit katoen dat ik niet eerst had gewassen; de rok werd een maat kleiner en de onderrand ging golven, en pas toen leerde ik dat je een stof moet kennen voor je hem knipt.
Kort samengevat
- Kijk naar de rand van de lap: rafelt hij, krult hij omhoog, en welke draden laat hij los als je eraan trekt.
- Trek zachtjes aan de stof in de lengte en in de breedte; rekt hij alleen in de breedte mee, dan is het een gebreide stof.
- Knijp de stof in je hand en laat los: een diepe kreuk die blijft zitten hoort bij linnen en katoen, een kreuk die terugveert bij wol.
- Wrijf een hoekje tussen je vingers en luister naar het geluid; een ritselende lap gedraagt zich anders dan een soepele, stille lap.
- Wil je zeker zijn van de vezel, houd dan een los draadje tegen het licht en laat een druppel water op een hoekje vallen; dat vertelt meer dan een etiket.
Vallen en kreuken
De eerste indruk van een stof krijg je door hem op te tillen en te laten vallen. Linnen en katoen vallen met een duidelijke vouw en houden die vouw vast. Wol valt zacht en veert terug als je hem loslaat. Een soepele kunstvezel valt glad en glijdt bijna als water, en dat verschil voel je meteen als je dezelfde lap twee keer optilt.
Ik doe dat bij de markt altijd even: ik houd een hoek van de stof tussen duim en wijsvinger en laat hem naar beneden hangen. Zakt de stof in een rechte lijn met een scherpe vouw, dan is het een geweven stof met weinig rek. Blijft de stof breed en zacht hangen zonder duidelijke vouw, dan is het een gebreide stof of een mengsel.
Rekken: geweven of gebreid
Trek zachtjes aan de stof in de lengte en dan in de breedte. Rekt hij in de breedte mee maar in de lengte bijna niet, dan is het een gebreide stof, zoals tricot. Rekt hij in geen van beide richtingen noemenswaardig mee, dan is het een geweven stof, zoals katoen of linnen. Dat verschil bepaalt meer dan wat dan ook hoe je de stof moet naaien en welke naald en welk garen erbij horen.
Bij tricot gebruik ik een bolle naald en een steek die met de rek mee kan, anders knapt de naad zodra iemand de stof uitrekt. Bij geweven stof kan ik met een rechte steek werken en hoef ik me over rek geen zorgen te maken. Een lap die een beetje rekt maar niet echt meebeweegt, behandel ik als geweven stof en naai ik rustig in.
Rafelen en knippen
Kijk naar de afgeknipte rand van de lap. Katoen en linnen rafelen flink; je ziet losse draden die je er zo uit kunt trekken. Wol rafelt minder en voelt aan de rand wat viltig. Tricot krult bij het knippen omhoog in plaats van te rafelen, en dat krullen verraadt meteen dat het een gebreide stof is.
Die rand vertelt je ook hoe je hem moet afwerken. Rafelende stof werk ik af voor ik verder ga, want anders zit er na een paar wasbeurten een bosje draden onder de naad. Krullende tricot laat ik juist met rust en naai ik meteen, om te voorkomen dat de rand onderweg zijn vorm verliest en de naad scheef komt te zitten.
Wol, linnen, katoen en mengsels in de hand
Wol voelt zacht en vol aan en veert terug als je hem samenknijpt. Linnen voelt koel en een beetje stug, en het kreukt diep en blijft kreuken. Katoen voelt neutraal, kreukt ook maar minder diep dan linnen, en voelt droog als je het tussen je vingers wrijft. Deze drie herken ik inmiddels zonder etiket, en dat is precies wat je op de markt nodig hebt.
Een mengsel gedraagt zich als het mengsel: het rekt een beetje, kreukt minder dan zuiver katoen en glimt soms onder de lamp. Ik probeer mengsels niet in één hokje te duwen. Ik kijk naar de vezel die het gedrag bepaalt, en dat is meestal de vezel die je aan de rand of aan de glans het beste ziet terugkomen.
Een draadje als laatste proef
Als ik twijfel tussen wol en een mengsel, trek ik één draadje uit de rand en houd het tegen het licht. Wol is fijn en golvend met een matte glans; een kunstvezel is gelijkmatig, glad en glimt onder de lamp zodra je het draait. Leg het draadje daarna op een wit vel papier en wrijf het tussen duim en wijsvinger: wol voelt warm en een beetje vettig, een kunstvezel voelt koud en glad aan, alsof er geen vezel in zit.
Een tweede proefje kost niets: laat een druppel water op een hoekje van de lap vallen. Op zuiver linnen en katoen trekt de druppel rustig in en blijft er een donkere plek achter. Op een kunstvezel blijft de druppel als een bolletje liggen en rolt hij er zo weer af. Doe dit op een stuk dat je toch wegsnijdt, want op sommige stoffen laat een waterdruppel een kringetje achter.
Blijf ik daarna nog twijfelen, dan koop ik de lap niet. Een lap waar ik geen vertrouwen in heb, blijft in de kast liggen en dat kost meer dan een tweede bezoek aan de markt.
Wat je op de markt al kunt zien
Op de markt kun je veel zien zonder iets te kopen. Kijk of de lap in de breedte scheef is geknipt, want dat vertelt hoe hij van de rol kwam. Voel of hij vochtig aanvoelt of naar stof ruikt; lappen die lang buiten lagen, gedragen zich anders. En vraag nooit alleen naar de naam van de vezel, want op die vraag klinkt elk antwoord overtuigend.
Thuis was ik de lap eerst voordat ik iets knip, ook als het label zegt dat het niet hoeft. In 2006 deed ik dat niet en werd een rok een maat kleiner. Het water hier is hard en dat maakt het krimpen alleen maar duidelijker; sindsdien gaat elke lap die ik op de Brink koop eerst door de was, en pas daarna kijk ik of ik er een kledingstuk uit kan tekenen. Ik ben geen coupeuse of kleermaker; ik werk in de bibliotheek en naai thuis, en wat ik niet zelf heb uitgeprobeerd, schrijf ik niet op.
Wat er vaak misgaat
- Stof beoordelen op het etiket dat eraan hangt, terwijl dat op de markt vaak ontbreekt en het gedrag van de stof meer vertelt.
- Tricot als geweven stof behandelen en met een scherpe naald en rechte steek naaien, waarna de naad knapt en de stof gaatjes krijgt.
- Een lap die in de breedte rekt toch recht naaien, zodat de naad bij het dragen openscheurt op de plek waar de stof het meest beweegt.
- Een rafelende rand niet afwerken voor het verder naaien, waardoor er onder de zoom een bos losse draden gaat zitten.
- De stof niet eerst wassen voor het knippen, waardoor het kledingstuk na de eerste wasbeurt kleiner wordt en de onderrand gaat golven.