Start › Vaardigheden › Bies maken en aanzetten
Bies maken en aanzetten
Leg eerst je strijkijzer stabiel neer, ruim de schaar op en houd je vingers weg van de naald zolang de stekker nog in het stopcontact zit. Bies maken klinkt als iets voor de vakhandel, maar het is niets meer dan een strook stof die je schuin op de draad knipt en om een rand heen vouwt. Ik ben geen coupeuse of kleermaker; ik werk in de bibliotheek en naai thuis, dus ik houd het bij de randen die ik zelf aankan: een rafelige zoom, een halsrand, een split.
Kort samengevat
- Bies knip je altijd schuin op de draadrichting, anders kun je hem niet om een bocht leggen.
- De strook is vier keer zo breed als de bies die je wilt hebben, plus 0,5 cm voor het omvouwen.
- Strijk de bies eerst in model voor je hem aanzet; aan de machine krijg je hem niet meer recht.
- Bij elke bies horen spelden en een rijgnaad, ook als de rand kaarsrecht is.
- De verbindingsnaad van de bies hoort aan de binnenkant te vallen, nooit aan de zichtbare kant.
Waarom schuin op de draad
Bies is een strook stof die je om een rand vouwt, en die strook moet kunnen meebewegen met de vorm van die rand. Knip je hem recht op de draad, dan wordt hij stijf en krijg je hem niet om een halsronde of een armsgat zonder plooien. Daarom knip je bies altijd in een hoek van 45 graden op de draadrichting.
Op een restje katoen vind je de draadrichting door de stof tussen je vingers te rekken: het minst rekt hij in de richting van de draden zelf. Die richting loopt recht, de schuine richting is de bies. Ik teken de strook af op restpapier en leg dat op de stof, want lijnen die ik direct op de stof zet raak ik kwijt zodra de schaar erin gaat.
Bij een effen stof zie je de richting slecht. Ik houd hem dan tegen het licht om de weefseldraden te zien, of ik trek er heel even aan. Rekken is het snelste antwoord.
Hoe breed je strook moet zijn
Vuistregel: de strook is vier keer zo breed als de bies die je wilt hebben, plus 0,5 cm voor het omvouwen. Wil je een bies van 1 cm zichtbaar, dan knip je een strook van 4,5 cm. Wil je 0,7 cm, dan wordt de strook ongeveer 3,3 cm.
Ik knip niet één lange strook maar meerdere korte, en zet ze aan elkaar. Dat gaat bij restjes makkelijker dan één lange strook uit een groot stuk, en de naden vallen toch aan de binnenkant. Zet de stukken met de schuine randen tegen elkaar, zodat de verbinding in de lengte van de bies loopt en niet dwars erop.
Een naad dwars op de bies voel je later als een harde bobbel in de rand. De schuine verbinding verdeelt de dikte en valt bijna weg.
Strijken maakt de bies
Ik strijk de bies voor het aanzetten in model: eerst de naadjes open, dan de strook in de lengte dubbelgevouwen, en daarna de randen naar het midden. Dat strijken kost twee minuten en bepaalt hoe de bies er straks uitziet. Aan de machine recht je hem niet meer.
Gebruik voor dat strijken de punt van het ijzer en werk in stukjes van 10 cm, met de strook tussen duim en wijsvinger. Zo blijft de bies op zijn plek en loop je niet achter het ijzer aan.
Bij ons kalkrijke water laat ik het strijkijzer niet vol staan. De damp is fijn, maar de kalk slaat neer op de zool en komt op lichte stof terug als een grijs waas. Ik gebruik liever een plantenspuit met een scheutje water dan de stoomstand helemaal open.
Aanzetten op de rand
Ik spelt de bies eerst op de rand, met de goede kant van de bies tegen de goede kant van het kledingstuk. De open rand van de bies komt precies op de naad van het kledingstuk te liggen. Bij een bocht trek ik de bies licht aan en laat ik de stof eronder rustig meelopen.
Dan naai ik op de vouwlijn, dat wil zeggen op de breedte die ik later zichtbaar wil hebben. Voor een bies van 1 cm zichtbaar naai ik dus op 1 cm van de rand van het kledingstuk. Daarna sla je de bies naar de andere kant, strijk je hem plat en naai je hem aan de goede kant vast in de naad die je net hebt gemaakt, of net ernaast.
Die laatste naad moet precies op de eerste vallen; dan zie je aan de binnenkant alleen een rechte lijn. Ik controleer na 10 cm of de achterkant nog onder het voetje zit, want in een bocht schiet de bies aan de onderkant nog weleens weg.
Bij bochten en splitjes
Bies om een binnenbocht is het lastigst: daar moet de bies een stukje worden ingenomen, anders gaat hij bobbelen. Ik knip in de naadwaarde van de bies kleine keepjes, tot net niet op de vouwlijn, en strijk de bies daarna in de bocht. Bij een buitenbocht rekt de bies juist op, en dat mag, want dat kan hij door de schuine draad.
Bij een split van een rok of een jasje werk ik eerst de ene kant af, dan de andere, en pas daarna het stukje erboven. Ik doe dat altijd eerst op een restje stof voor ik aan het echte werk begin; een proefstukje van 10 cm bespaart me een half uur zoeken naar een hoek die niet wil.
Neem voor die proefstukjes hetzelfde restje stof als het kledingstuk, want een dunne bies op dikke stof gedraagt zich anders dan op een lapje katoen. Zo weet je van tevoren of de bies na het strijken dik genoeg is om de rand netjes te bedekken.
Wat er vaak misgaat
- De bies recht op de draad knippen, waardoor hij stijf is en niet om een bocht te leggen valt.
- De strook te smal knippen en hopen dat hij breder wordt als je hem aanzet; dat lukt nooit.
- De bies aanzetten zonder hem eerst in model te strijken, zodat de rand na het naaien gaat golven.
- Vergeten te controleren of de achterkant van de bies onder het voetje blijft, waardoor de laatste naad naast de bies valt.
- De stukken bies dwars op de bies aan elkaar zetten, zodat er een harde bobbel in de rand komt.