Start › Projecten › Repareren › Een klein gaatje onzichtbaar wegwerken
Een klein gaatje onzichtbaar wegwerken
Een klein gaatje in een trui of jasje valt meestal pas op als het licht er schuin op valt. Ik zag het gaatje in mijn grijze trui in het licht van de leeszaal waar ik werk, toen ik een boek uit het rek trok. Thuis, in mijn achterkamertje bij 16 °C, heb ik het diezelfde avond weggewerkt met een stopnaald en een plukje garen uit de binnenkant van een naad.
Kijk naar het gaatje en naar de stof eromheen
Leg het kledingstuk op een vlakke tafel en kijk goed naar het gaatje. Is de stof eromheen nog stevig, dan kun je het dichtwerken. Voelt de stof rond het gat dun of bros aan, dan heb je meer aan een stukje stof achter het gat dan aan een paar steken eroverheen.
Kijk ook of het gaatje van motten komt of van een vonk. Bij motten zitten er vaak meerdere kleine gaatjes bij elkaar; dan behandel je ze één voor één, want de randen tussen de gaatjes zijn nog te zwak om samen in één beweging te pakken. Van een vonk is de rand hard en zwart, en die rand haal je eerst voorzichtig weg met een nagelschaartje.
Krul de stof tussen je vingers. Blijft de krul staan, dan is de vezel nog levendig genoeg om de nieuwe draden op te vangen. Veert de stof meteen terug alsof er niets aan de hand is, dan is het aandeel kunstvezel groot en moet je rustiger werken.
De draadrichting volgen
Dit is het belangrijkste van het hele klusje: volg de richting van de draden in de stof. In breiwerk zijn dat de kolommen van de steken, in geweven stof de schering en de inslag. Je werkt altijd met de draden mee en nooit er dwars op, anders zie je het gaatje na een paar keer dragen weer terug.
Houd het kledingstuk tegen het licht. De twee richtingen tekenen zich dan af als een fijn raster. Zet met een speld een klein puntje aan de bovenkant en de onderkant van het gaatje, zodat je de richting niet kwijtraakt zodra je begint te werken en je ogen moe worden.
Stoppen in breiwerk
Knip een draad van 40 cm in de kleur van de trui en rijg de stopnaald. Begin 2 cm naast het gaatje, in dezelfde kolom als een heel steekje, en werk naar het midden toe: heen over de ene helft, terug over de andere helft, zodat de draden als een fijn gaas over het gat komen te liggen. Pak per keer één lusje van de breisteken mee en niet meer.
Werk in rijen en tel de rijen die je maakt, anders wordt de ene helft van het gat dichter dan de andere. Trek de draad niet strak aan; breiwerk moet kunnen rekken en een strak gestopte plek voelt in de trui als een harde plek. Als de draden het gat bedekken, ga je met dezelfde draad in de andere richting terug, zodat er een klein vierkant vlechtwerk ontstaat dat met de stof meebeweegt.
Is het gat niet groter dan 2 mm en zit het in dezelfde kolom als een steekje, dan kun je ook alleen dat ene steekje opnieuw breien met de stopnaald. Dat is sneller en het valt nog minder op.
Stoppen in geweven stof
In geweven stof, zoals een jasje van katoen, gaat het net anders. Je neemt draden uit de zoom of uit een naad die je toch niet ziet, of garen in dezelfde kleur, en werkt het gat dicht in draden die met de schering meelopen en daarna met de inslag. Zo valt de reparatie in het patroon van de stof zelf.
Bij een gaatje in een donkere stof zie je een glimmende draad snel. Kies dan liever een iets doffer garen dan een dat precies dezelfde kleur heeft maar glanst onder het licht van de kamer.
Afwerken
Hecht de draad af aan de binnenkant met twee kleine steekjes op dezelfde plek en knip hem op 5 mm af. Strijk de plek met een lauwe bout en een dunne doek ertussen, niet meteen heet, want een gestopte plek glimt sneller dan de stof eromheen.
Draag het kledingstuk een dag en kijk daarna nog eens. Zit er een gaatje terug, dan was de draad te strak of de richting niet goed gevolgd. Het is geen hogere wiskunde: opnieuw, en rustiger dan de eerste keer.
Stap voor stap
- Haal de stekker van de machine uit het stopcontact, leg het tornmesje en de schaar met de punt van je af en zet de spelden in een bakje.
- Leg het kledingstuk op een vlakke tafel en bekijk het gaatje en de stof eromheen.
- Haal bij een brandgaatje eerst de harde rand weg met het nagelschaartje.
- Zet met twee spelden een puntje boven en onder het gaatje, in de draadrichting van de stof.
- Rijg een draad van 40 cm in de kleur van de stof door de stopnaald.
- Werk vanaf 2 cm naast het gaatje naar het midden toe, met de draden mee.
- Vul het gat in rijen, eerst in de ene richting en dan in de andere.
- Hecht de draad af met twee steekjes, knip hem af en strijk de plek met een lauwe bout.
Waar ik stop: Bij een gat dat groter is dan 2 cm, bij stof die rond het gat helemaal dun is geworden en bij een scheur die langs een naad loopt stop ik met dichtwerken. Daar is een zichtbare reparatie of een nieuw stuk stof eerlijker dan een plek die na één wasbeurt weer openscheurt. “Ik ben geen coupeuse of kleermaker.” Ik werk in de bibliotheek en naai thuis aan mijn eigen kast en die van mijn gezin; een gaatje van een paar millimeter in een trui lukt me, maar een gat in een mantelpak breng ik weg.